Monument twee WO - oa naam Sgt Max Martin, ook graf

Periode: Tussen WOI en WOII
Type: Monument
Militair of Burger: Militair
Status: Niet beschermd
Datum registratie: 
21/05/2009
  • © Georges Lecomte, 16/05/2009© Georges Lecomte, 23/05/2009
Locatie: 
Bonneville, monument aux morts et cimetière.

Op een geruimd deel van het kerkhof staat een monument waaronder de stoffelijke overschotten van de gesneuvelden van beide Wereldoorlogen werden herbegraven (zie tekst op het monument). Een van hen is Sgt Max Martin (+ 04/10/1918 te Beveren-Roeselare met een Nieuport, Camel of Hanriot - volgens de bron??? - hij behoorde tot het 11de jachtsmaldeel).

Correctie door Georges Lecomte, 23 mei 2010: 'De oud-burgemeester van Bonneville, die ik op het kerkhof ontmoette, legde mij uit dat het enkel de slachtoffers 40-45 die onder het monument lagen, en hij begeleidde mij tot aan het graf van Max Martin waarvan de tekst nu heel goed zichtbaar is. Martin omgekomen op 3 oktober 1918 te Beveren-Roeselare met Nieuport - Camel of Hanriot HD-1 (dit laatste volgens Ltn Franz Piechulek van Jasta 56, die vanop Kruishoutem was opgestegen en Martin neerhaalde).'

Aangevuld door Rik Verhelle op 15 Februari 2016: info uit het boek "Beveren-Roeselare in de Grote Oorlog" (blz 133-134) van Gabriël Verbeke, uitgegeven in 2006 met ISBN 90-5508-087-X

'Martin Max werd te Bonneville geboren op 1 juni 1895. Hij was oorlogsvrijwilliger bij 10e Linie infanterie waar hij het Kruis in de Leopoldsorde verwierf. Nadien ging hij over naar het vliegwezen bij het 10e Jachtescdrille. Op 4 okt 1918 steeg hij op van het vliegveld "De Moeren" in een Nieuport 17 om dekking te gaan verlenen aan verkenningsvliegtuigen. Boven Beveren (Roeselare) werd hij onderschept door jagers van Jasta 56 die hun basis te Rumbeke (Roeselare) hadden. Leutnant Franz Piechuleck haalde hem neer en Martin Max stortte te pletter in een chicoreiveld te Beveren (Roeselare). De Duitsers baarden het lijk op in een loods van de hoeve van Charles Ghysel, waarna hij met militaire eer begraven werd op de plaats waar hij neerstortte.
Begin 1919 ontdekten zijn broers Maurits en Marcel zijn graf, en door toedoen van de gemeentesecretaris Blondeel werd het lijk opgegraven en herbegraven op het kerkhof naast de parochiekerk. In november 1919 werd het lijk heimelijk en zonder officiële toestemming opnieuw opgegraven en vervoerd naar Bonneville, dat op aanvraag van zijn oude vader.
De gemeentesecretaris kreeg hierdoor problemen wegens grafschennis. Het drietal werd voor de rechtbank geroepen om zich te verantwoorden voor lijkroof, maar gemeentesecretaris Blondeel verdedigde zich zo heftig dat alle betrokkenen vrijgesproken werden.'